A
Aandeelklassen
Verschillende categorieën participaties binnen hetzelfde beleggingsfonds, die kunnen verschillen in kostenstructuur, valuta, minimale inleg en uitkeringsbeleid (distributie of accumulatie).
Absolute return
Beleggingsstrategie die gericht is op het realiseren van een positief absoluut rendement, onafhankelijk van marktomstandigheden, met nadruk op kapitaalbehoud en risicobeheersing.
Accumulatie fonds
Beleggingsfonds dat inkomsten zoals dividend en rente automatisch herbelegt, waardoor het fondsvermogen groeit zonder periodieke uitkeringen aan beleggers.
Actief beheer
Beleggingsaanpak waarbij de beheerder actief beslissingen neemt over selectie, timing en weging van beleggingen met als doel beter te presteren dan de benchmark.
Administratiekantoor
Partij die administratieve taken voor een fonds uitvoert of ondersteunt, zoals fondsadministratie, beleggersregistratie, waarderingsprocessen en rapportages.
AEX-correlatie
Statistische maatstaf die aangeeft in welke mate het rendement van een belegging samenhangt met de AEX-index, uitgedrukt als een correlatiecoëfficiënt tussen -1 en +1.
AFM Fonds ID
Identificatiekenmerk waaronder een fonds in de context van AFM-registratie, documentatie of toezicht herkenbaar is. De exacte vorm en toepassing kunnen per register of documenttype verschillen.
AFM-risico-indicator
Gestandaardiseerde risico-indicator die in fondsdocumentatie wordt gebruikt om op hoofdlijnen inzicht te geven in het risico- en rendementsprofiel van een beleggingsproduct.
AFM-risicoscore
Risicoscore op een schaal van 1 tot 7 die een gestandaardiseerde eerste indicatie geeft van het risico van een beleggingsproduct op basis van voorgeschreven methodiek.
AFM-vergunning
Vergunning van de Autoriteit Financiële Markten die vereist is voor het aanbieden van bepaalde gereguleerde financiële diensten of beleggingsactiviteiten in Nederland.
AIF / AIFMD
AIF staat voor Alternative Investment Fund. AIFMD is de Europese richtlijn die eisen stelt aan beheerders van alternatieve beleggingsfondsen binnen de Europese Unie.
Algorithmic trading
Handelsmethode waarbij orders automatisch worden uitgevoerd op basis van vooraf geprogrammeerde algoritmen, modellen en realtime marktsignalen.
Allocatie
Verdeling van vermogen over beleggingscategorieën, regio’s, sectoren of strategieën om het risico-rendementsprofiel van een portefeuille vorm te geven.
Alpha
Maatstaf voor het extra rendement van een belegging of portefeuille ten opzichte van de benchmark, gecorrigeerd voor het gelopen systematische risico.
Alternative Investment Fund
Beleggingsfonds dat buiten het UCITS-regime valt en doorgaans investeert in alternatieve activa of strategieën, zoals private equity, hedgefondsen, private debt of vastgoed.
Arbitrage
Strategie waarbij wordt geprofiteerd van prijsverschillen van identieke of sterk vergelijkbare activa op verschillende markten, met als doel een vrijwel risicoloze winst.
Assets under Management (AUM)
Totaal vermogen dat door een fonds, vermogensbeheerder of beleggingsinstelling namens beleggers wordt beheerd.
B
Backtest
Analyse waarbij een beleggingsstrategie wordt getest op historische data om te beoordelen hoe zij in het verleden zou hebben gepresteerd.
Basisrendement / Benchmark
Referentierendement of referentie-index waartegen de prestaties van een fonds of strategie worden vergeleken.
Beheerder belegt mee
Situatie waarin de fondsbeheerder zelf in het fonds investeert, waardoor zijn financiële belangen deels gelijklopen met die van andere beleggers.
Beheervergoeding
Terugkerende vergoeding die een fonds of vermogensbeheerder in rekening brengt voor het beheren van het vermogen.
Benchmark tracking error
Statistische maatstaf voor de mate waarin het rendement van een portefeuille afwijkt van dat van de benchmark over de tijd.
Beperkte liquiditeit
Situatie waarin een belegging niet snel of niet tegen een redelijke prijs kan worden gekocht of verkocht.
Beta
Maatstaf voor de gevoeligheid van het rendement van een belegging of portefeuille voor bewegingen in de markt of benchmark.
Beursneutraliteit
Eigenschap van een strategie die probeert het netto marktrisico te beperken, zodat rendement vooral uit relatieve prijsverschillen komt en niet uit algemene marktbewegingen.
Bottom-up analyse
Beleggingsanalyse die vertrekt vanuit individuele ondernemingen of activa, en pas daarna naar bredere markt- of macrofactoren kijkt.
Broker
Financiële tussenpersoon die namens klanten orders in financiële instrumenten uitvoert of faciliteert.
C
CAGR
Samengestelde jaarlijkse groeivoet die aangeeft met welk constant percentage een investering gemiddeld per jaar is gegroeid over een bepaalde periode.
Capital call
Verzoek van een fondsbeheerder aan investeerders om een toegezegd maar nog niet gestort deel van het kapitaal daadwerkelijk in te leggen.
Carbon credits
Verhandelbare certificaten die het recht vertegenwoordigen om een bepaalde hoeveelheid broeikasgas uit te stoten of die een emissiereductie aantonen.
Carried interest
Prestatieafhankelijke vergoeding voor fondsmanagers, vooral in private equity en venture capital, meestal als percentage van de winst boven een afgesproken drempel.
Catch-up
Bepaling in de winstverdeling waarbij de fondsbeheerder na het behalen van een voorkeursrendement tijdelijk een groter deel van de winst ontvangt om tot de overeengekomen verdeling te komen.
Closed-end fund
Beleggingsfonds met een vaste kapitaalbasis waarbij beleggers doorgaans niet op elk moment kunnen in- of uitstappen tegen intrinsieke waarde.
Co-investment
Directe investering naast een hoofd- of moederfonds, vaak door bestaande investeerders in dat fonds, in een specifieke transactie of participatie.
Committed capital
Kapitaalbedrag dat een investeerder contractueel toezegt aan een fonds, maar dat meestal pas later via capital calls wordt opgevraagd.
Commodity trading
Handel in grondstoffen of grondstoffenderivaten, zoals olie, gas, metalen of landbouwproducten.
Concentratierisico
Risico dat ontstaat wanneer een portefeuille sterk is blootgesteld aan een beperkt aantal beleggingen, sectoren, regio’s of tegenpartijen.
Correlatie
Statistische maatstaf voor de mate waarin twee rendementen of variabelen samen bewegen, uitgedrukt tussen -1 en +1.
Credit risk
Risico dat een tegenpartij of debiteur haar betalingsverplichtingen niet of niet volledig nakomt.
Crypto arbitrage
Arbitragestrategie waarbij wordt geprofiteerd van prijsverschillen van dezelfde of vergelijkbare cryptoactiva op verschillende handelsplatformen of markten.
Custody
Bewaar- en administratiedienst voor financiële instrumenten en andere activa, meestal uitgevoerd door een gespecialiseerde bewaarder of custodian.
D
Deelnemingsrechten
Rechten die een belegger verkrijgt bij deelname in een fonds en die aanspraak geven op een evenredig economisch belang volgens de fondsvoorwaarden.
Default
Situatie waarin een debiteur of tegenpartij een rente-, aflossings- of andere contractuele verplichting niet nakomt.
Derivaten
Financiële instrumenten waarvan de waarde is afgeleid van een onderliggende waarde, zoals een aandeel, rente, valuta, index of grondstof.
Direct lending
Vorm van private debt waarbij niet-bancaire investeerders of fondsen rechtstreeks leningen verstrekken aan ondernemingen.
Distributie
Uitkering van opbrengsten of kapitaal vanuit een fonds aan beleggers, bijvoorbeeld in de vorm van dividend, rente of terugbetaling.
Distributiefonds
Beleggingsfonds dat ontvangen inkomsten periodiek uitkeert aan beleggers in plaats van deze volledig te herbeleggen.
Diversificatie
Spreiding van beleggingen over verschillende activa, sectoren, regio’s of strategieën om specifieke risico’s te beperken.
Drawdown
Daling van de waarde van een belegging of portefeuille vanaf een eerder hoogtepunt tot een daaropvolgend dieptepunt.
Due diligence
Systematisch onderzoek naar juridische, financiële, fiscale, operationele en commerciële aspecten voorafgaand aan een investering of transactie.
E
Early redemption
Vervroegde terugbetaling of uittreding uit een fonds of financieel product vóór de oorspronkelijk voorziene einddatum of lock-up.
Entry load
Eenmalige instapvergoeding die bij aankoop van een fonds of beleggingsproduct in rekening wordt gebracht.
ETF
Beursgenoteerd fonds dat doorgaans een index of strategie volgt en gedurende de handelsdag op de beurs verhandelbaar is.
Event-driven strategie
Beleggingsstrategie die inspeelt op koersbewegingen rond specifieke ondernemingsgebeurtenissen, zoals fusies, overnames, herstructureringen of faillissementen.
Evergreen fonds
Fonds zonder vaste einddatum dat doorlopend kapitaal kan aantrekken en langer kan blijven doorbeleggen dan een traditioneel closed-end fonds.
Ex-ante kosten
Kostenraming die vooraf wordt verstrekt om inzicht te geven in de verwachte kosten en lasten van een product of dienst.
Exit
Moment waarop een belegging geheel of gedeeltelijk wordt verkocht of afgewikkeld, bijvoorbeeld via verkoop, beursgang of aflossing.
Externe fondsadministrateur
Onafhankelijke partij die de fondsadministratie uitvoert, zoals waardebepaling, boekhouding, participantenadministratie en rapportage.
F
Factor investing
Beleggingsbenadering die systematisch blootstelling zoekt aan belonende kenmerken van effecten, zoals value, momentum, quality, size of low volatility.
Fair value
Waarde waartegen een actief of verplichting onder normale marktomstandigheden tussen goed geïnformeerde partijen zou worden verhandeld.
Family office
Organisatie die het vermogen, de investeringen en vaak ook administratieve of fiscale zaken van één of meerdere vermogende families beheert.
Feeder fund
Fonds dat het opgehaalde kapitaal geheel of grotendeels doorbelegt in een ander fonds, meestal een masterfonds.
Fondsen van fondsen
Beleggingsfonds dat niet rechtstreeks in individuele activa belegt, maar in een portefeuille van andere fondsen.
Fondsvermogen
Totale waarde van de activa van een fonds minus de verplichtingen, oftewel het netto vermogen van het fonds.
Fund administrator
Gespecialiseerde dienstverlener die administratieve werkzaamheden voor een fonds verricht, zoals boekhouding, waardering en beleggersrapportage.
Fundamental strategie
Beleggingsstrategie die beslissingen baseert op fundamentele analyse van ondernemingen, markten of economieën.
Fysieke activa
Tastbare bezittingen zoals vastgoed, infrastructuur, machines, grondstoffen of andere reële activa.
G
Gearing / leverage
Gebruik van vreemd vermogen of derivaten om de marktblootstelling van een belegging of fonds te vergroten.
Gemiddeld maandverlies
Gemiddelde van de negatieve maandrendementen over een bepaalde periode, gebruikt als aanvullende maatstaf voor neerwaarts risico.
Geprognosticeerd rendement
Verwacht rendement op basis van aannames, scenario’s of modellen, zonder garantie dat dit ook daadwerkelijk wordt gerealiseerd.
Gereguleerd fonds
Fonds dat onder toezicht staat en moet voldoen aan wettelijke en regelgevende vereisten van een bevoegde autoriteit.
Geverifieerd track record
Historisch rendementsoverzicht dat onafhankelijk is gecontroleerd of onderbouwd met verifieerbare data en documentatie.
Global macro strategie
Beleggingsstrategie die posities inneemt op basis van macro-economische verwachtingen over onder meer rente, valuta, inflatie en economische groei.
Grootste verlies
Grootste gerealiseerde daling over een bepaalde periode of in een specifieke meeteenheid, gebruikt als risicomaatstaf.
Gross vs net performance
Vergelijking tussen rendement vóór kosten, belastingen en vergoedingen (gross) en rendement ná deze lasten (net).
H
Hedgefonds
Alternatief beleggingsfonds dat vaak flexibel gebruikmaakt van uiteenlopende strategieën, waaronder shortposities, derivaten en leverage.
Hedging
Afdekken van risico door een positie in te nemen die verliezen op een andere positie geheel of gedeeltelijk compenseert.
High-watermark
Hoogste eerdere waarde waarboven een fonds eerst opnieuw moet uitkomen voordat opnieuw een performance fee mag worden gerekend.
Hurdle rate
Minimaal rendement dat eerst moet worden behaald voordat een prestatievergoeding mag worden berekend.
I
Illiquide beleggingen
Beleggingen die moeilijk verhandelbaar zijn, zoals private equity, private debt, infrastructuur of bepaalde vastgoedinvesteringen.
Illiquiditeit
Mate waarin een belegging niet snel, niet in grote omvang of niet zonder noemenswaardige prijsimpact kan worden verhandeld.
Inflatiehedge
Belegging of strategie die bedoeld is om koopkrachtverlies door inflatie te beperken of te compenseren.
Information ratio
Maatstaf voor het extra rendement ten opzichte van een benchmark gedeeld door de tracking error van dat extra rendement.
Institutionele belegger
Professionele partij zoals een pensioenfonds, verzekeraar, bank of vermogensbeheerder die op grote schaal belegt.
Intern geadministreerd track record
Track record dat door de beheerder zelf is opgesteld of bijgehouden en niet per definitie onafhankelijk is gecontroleerd.
Internal Rate of Return (IRR)
Rendementsmaatstaf die het interne jaarrendement van een investering weergeeft, rekening houdend met het tijdstip en de omvang van kasstromen.
Invested capital
Bedrag aan kapitaal dat daadwerkelijk is ingezet of geïnvesteerd, in tegenstelling tot slechts toegezegd kapitaal.
J
J-curve effect
Patroon waarbij een private markets-fonds in de beginjaren vaak eerst negatieve of lage rendementen laat zien, waarna latere waardestijging en exits het rendement verbeteren.
Juridisch eigenaar
Partij die volgens het recht formeel eigenaar is van een actief of vermogensbestanddeel, wat kan verschillen van de economisch gerechtigde.
L
Langste herstelperiode
Langste periode die nodig is om na een waardedaling terug te keren naar een eerder hoogtepunt.
Liquiditeit
Mate waarin een belegging snel en tegen beperkte kosten of prijsimpact kan worden gekocht of verkocht.
Liquiditeitsrisico
Risico dat een belegging of portefeuille niet tijdig kan worden verkocht of gefinancierd zonder substantiële waardevermindering.
Lock-up periode
Periode waarin een belegger zijn participatie niet of slechts beperkt kan verkopen of terugvragen.
Long/short strategie
Strategie waarbij zowel longposities als shortposities worden ingenomen om van relatieve prijsverschillen te profiteren of marktrisico te beperken.
Loss recovery time
Tijd die nodig is om een geleden verlies volledig goed te maken en terug te keren naar het vorige waarderingsniveau.
Low-volatility strategie
Strategie die zich richt op beleggingen met relatief lage koersschommelingen om het totale risico van de portefeuille te beperken.
LTV (Loan-to-Value)
Verhouding tussen de hoogte van een lening en de waarde van het onderliggende onderpand of actief.
M
Macro fundamentals
Macroeconomische kernfactoren zoals groei, inflatie, rente, werkgelegenheid en overheidsfinanciën die relevant zijn voor beleggingsbeslissingen.
Managed futures / CTA
Systematische strategie, vaak uitgevoerd door Commodity Trading Advisors, die via futures posities inneemt in verschillende markten op basis van modelmatige signalen.
Management fee
Vaste vergoeding die een fondsbeheerder periodiek ontvangt voor het beheren van een fonds of portefeuille.
Marktneutraal
Kenmerk van een strategie die probeert het netto marktrisico te minimaliseren, zodat rendement vooral voortkomt uit relatieve waarderingsverschillen.
Masterfonds
Hoofdfonds waarin één of meerdere feeder funds of andere investeerders kapitaal samenbrengen.
Maximum drawdown
Grootste procentuele daling van een portefeuille of belegging vanaf een piek tot het daaropvolgende dieptepunt binnen een meetperiode.
Mezzanine financiering
Hybride financieringsvorm tussen vreemd en eigen vermogen, vaak met een hoger risico en rendement dan senior schuld.
MiFID II
Europese richtlijn voor beleggingsdiensten en financiële markten die regels stelt aan transparantie, beleggersbescherming en dienstverlening.
Modelrisico
Risico dat beslissingen of waarderingen onjuist zijn doordat gebruikte modellen onvolledig, foutief of verkeerd toegepast zijn.
MOIC
Multiple on Invested Capital: verhouding tussen de totale gerealiseerde en nog niet gerealiseerde waarde en het daadwerkelijk geïnvesteerde kapitaal.
Multi-strategy fonds
Fonds dat meerdere beleggingsstrategieën binnen één portefeuille combineert om spreiding en flexibiliteit te vergroten.
N
NAV (Net Asset Value)
Netto intrinsieke waarde van een fonds, berekend als de waarde van de activa minus de verplichtingen, gedeeld door het aantal uitstaande participaties of aandelen.
Netto rendement
Rendement nadat kosten, vergoedingen, en waar relevant belastingen, van het brutorendement zijn afgetrokken.
Nichemarktfonds
Fonds dat zich richt op een specifiek marktsegment, thema, sector of type belegging met een beperkte maar gespecialiseerde focus.
Non-directional strategie
Strategie die probeert rendement te genereren zonder duidelijke afhankelijkheid van de algemene richting van de markt.
Normalized return
Rendementscijfer dat is aangepast voor uitzonderlijke, tijdelijke of niet-representatieve effecten om een beter vergelijkbaar beeld te geven.
Notice period
Vooraf afgesproken termijn waarbinnen een belegger een verzoek tot in- of uitstap moet aankondigen.
O
Obligatie
Schuldbewijs waarbij de uitgevende partij zich verplicht tot betaling van rente en terugbetaling van hoofdsom volgens afgesproken voorwaarden.
Open-end fonds
Beleggingsfonds waarin beleggers doorgaans op basis van de intrinsieke waarde kunnen in- en uitstappen, waarbij het aantal participaties kan toe- of afnemen.
Operationeel risico
Risico op verlies door falende processen, systemen, menselijke fouten of externe gebeurtenissen.
Oprichtingsdatum
Datum waarop een fonds, vennootschap of juridische structuur formeel is opgericht.
P
Performance fee
Prestatieafhankelijke vergoeding die een fondsbeheerder ontvangt als vooraf gedefinieerde rendementsdoelstellingen of voorwaarden worden behaald.
Persoonlijk track record
Historisch rendement dat aan een individuele beheerder wordt toegeschreven, maar niet altijd één-op-één overdraagbaar is naar een nieuw fonds of nieuwe organisatie.
Portfolio turnover
Maatstaf voor hoe vaak de beleggingen in een portefeuille binnen een bepaalde periode worden gekocht en verkocht.
Private debt
Niet-beursgenoteerde schuldverstrekking aan bedrijven of projecten, vaak via gespecialiseerde fondsen.
Private equity
Investeringen in niet-beursgenoteerde ondernemingen, vaak met als doel waardecreatie en latere verkoop met winst.
Private markets
Verzamelnaam voor niet-beursgenoteerde beleggingsmarkten zoals private equity, private debt, infrastructuur en private real assets.
Professionele belegger
Belegger die op basis van wet- en regelgeving als professioneel wordt aangemerkt vanwege kennis, ervaring, omvang of institutionele aard.
Prospectus
Juridisch document met essentiële informatie over een fonds of financieel product, waaronder doelstelling, risico’s, kosten en voorwaarden.
Q
Qualitative risk assessment
Beoordeling van risico’s op basis van kwalitatieve factoren zoals governance, proceskwaliteit, mensen, systemen en operationele beheersing.
Quant trading
Beleggings- of handelsaanpak die gebruikmaakt van kwantitatieve modellen, statistiek en data-analyse om signalen en transacties te genereren.
R
Redempties
Terugbetalingen of inkoop van fondsdeelnemingen wanneer beleggers hun participaties laten uitkeren of terugverkopen aan het fonds.
Redemption gate
Mechanisme waarmee een fonds de omvang van terugbetalingen in een bepaalde periode tijdelijk kan beperken om liquiditeitsdruk te beheersen.
Regulatoir risico
Risico dat veranderingen in wet- en regelgeving, toezicht of handhaving negatieve gevolgen hebben voor een belegging, strategie of fonds.
Risk-adjusted return
Rendement beoordeeld in verhouding tot het gelopen risico, bijvoorbeeld via maatstaven als Sharpe ratio of Sortino ratio.
Risk parity
Portefeuillebenadering waarbij risico in plaats van kapitaal gelijkmatiger over verschillende beleggingscategorieën wordt verdeeld.
Robuustheid van strategie
Mate waarin een strategie ook onder verschillende marktomstandigheden, aannames en tests consistent blijft functioneren.
RVPI
Residual Value to Paid-In: verhouding tussen de resterende niet-gerealiseerde waarde van een fonds en het door investeerders gestorte kapitaal.
S
Service fee
Vergoeding voor specifieke diensten of operationele ondersteuning die verband houdt met een fonds, structuur of beleggingsdienst.
Sharpe ratio
Maatstaf voor het extra rendement boven de risicovrije rente per eenheid totaal risico, gemeten via volatiliteit.
Side letter
Aanvullende overeenkomst naast de hoofdcontractatie, waarin voor een specifieke investeerder bijzondere afspraken worden vastgelegd.
Side pocket
Aparte compartimentering binnen een fonds voor moeilijk verhandelbare of moeilijk waardeerbare activa.
Skin in the game
Mate waarin de beheerder of sponsor zelf financieel belang heeft in de structuur of het fonds.
Slippage
Verschil tussen de verwachte uitvoeringsprijs van een order en de uiteindelijke gerealiseerde prijs.
Sortino ratio
Rendementsmaatstaf die het extra rendement relateert aan neerwaarts risico in plaats van aan totale volatiliteit.
Special situations
Beleggingsstrategie die inspeelt op bijzondere of afwijkende situaties, zoals herstructureringen, noodfinancieringen, spin-offs of distressed assets.
Spread trading
Handelsstrategie die inspeelt op veranderingen in het prijsverschil of rendementverschil tussen twee gerelateerde instrumenten.
SPV
Special Purpose Vehicle: afzonderlijke juridische entiteit die wordt opgericht voor een specifieke investering, financiering of transactie.
SRRI
Synthetic Risk and Reward Indicator: voormalige gestandaardiseerde risicoschaal in Europese fondsdocumentatie, inmiddels in veel gevallen vervangen door de SRI.
Stresstest analyse
Analyse waarbij wordt getest hoe een portefeuille, fonds of strategie presteert onder extreme maar plausibele marktscenario’s.
Subscription
Inschrijving of toetreding van een belegger tot een fonds, vaak onder vooraf vastgestelde voorwaarden en procedures.
Subscription line facility
Kredietfaciliteit op fondsniveau, vaak gedekt door toegezegd kapitaal van investeerders, om tijdelijk liquiditeit te overbruggen.
Systematic trading
Handelsaanpak waarbij beslissingen worden genomen op basis van vooraf gedefinieerde regels, modellen en data in plaats van discretionair oordeel.
T
Tegenpartijrisico
Risico dat de partij aan de andere kant van een transactie haar verplichtingen niet nakomt.
Term sheet
Niet altijd bindend document waarin de belangrijkste commerciële en juridische voorwaarden van een voorgenomen investering of transactie zijn vastgelegd.
Themafonds
Fonds dat belegt volgens een specifiek thema, zoals energietransitie, digitalisering of vergrijzing.
Top-down analyse
Analysemethode die start bij macro-economische en marktontwikkelingen en van daaruit naar sectoren en individuele beleggingen toewerkt.
Track record
Historisch overzicht van prestaties, rendementen en vaak ook risico-indicatoren van een fonds, beheerder of strategie.
Trend following
Systematische strategie die probeert te profiteren van aanhoudende op- of neerwaartse markttrends.
TVPI
Total Value to Paid-In: verhouding tussen de totale waarde van een fonds (gerealiseerd plus resterend) en het door investeerders gestorte kapitaal.
U
UCITS vs AIF
Vergelijking tussen twee Europese fondskaders: UCITS voor sterk gereguleerde retailgeschikte fondsen en AIF voor alternatieve fondsen buiten dat regime.
Uitstapkosten
Kosten die een belegger moet betalen bij verkoop, aflossing of terugbetaling van een belegging of fondsdeelneming.
Uitstapmogelijkheid
Contractuele of praktische mogelijkheid voor een belegger om uit een fonds of belegging te stappen.
Uncorrelated strategies
Strategieën waarvan het rendement weinig of geen samenhang vertoont met traditionele markten of met elkaar.
Underlying assets
Onderliggende activa waarop een fonds, structuur of financieel instrument direct of indirect is gebaseerd.
V
Value-add vastgoed
Vastgoedstrategie die gericht is op waardeverhoging door renovatie, herontwikkeling, actief beheer of verbetering van bezettingsgraad en kasstromen.
Value-at-risk (VaR)
Statistische risicomaatstaf die aangeeft wat het maximale verwachte verlies over een bepaalde periode is bij een gekozen betrouwbaarheidsniveau.
Valutarisico
Risico dat wisselkoersschommelingen de waarde of het rendement van een belegging negatief beïnvloeden.
Vastgoedfonds
Beleggingsfonds dat direct of indirect belegt in vastgoed of vastgoedgerelateerde activa.
Venture capital
Investeringsvorm waarbij kapitaal wordt verstrekt aan jonge, innovatieve ondernemingen met hoog groeipotentieel en relatief hoog risico.
Verifieerbare data
Data die controleerbaar, herleidbaar en voldoende onderbouwd is met betrouwbare bronnen, documentatie of onafhankelijke verificatie.
Vestigingsplaats
Juridische domicilie of plaats van vestiging van een fonds, entiteit of beheerder, relevant voor toezicht, recht en fiscaliteit.
Vintage year
Jaar waarin een private markets-fonds begint met investeren of waarin kapitaal voor het eerst wordt aangetrokken, gebruikt voor vergelijking met peers.
Volatiliteit
Maatstaf voor de mate waarin rendementen of prijzen schommelen, vaak gemeten als standaarddeviatie.
W
Waarderingsonzekerheid
Onzekerheid over de juiste waarde van een belegging, vaak groter bij illiquide of moeilijk vergelijkbare activa.
Waterfall structuur
Afsprakensysteem dat bepaalt in welke volgorde en volgens welke verdeling kasstromen en winsten binnen een fondsstructuur worden uitgekeerd.
Wealth manager
Professionele adviseur of beheerder die het vermogen van particuliere of institutionele cliënten structureel begeleidt en beheert.
Z
Z-Score
Statistische score die aangeeft hoeveel standaarddeviaties een observatie afwijkt van het gemiddelde; in finance ook gebruikt in krediet- en faillissementsanalyses.
Zekerheden / collateral
Activa of rechten die als onderpand dienen om een kredietverstrekker of tegenpartij extra bescherming te bieden.