Van 60/40 naar 50/30/20: waarom de beleggingswereld een nieuw evenwicht zoekt
Samenvatting
Het klassieke 60/40 model staat onder druk na de gelijktijdige daling van aandelen en obligaties in 2022.
Toonaangevende vermogensbeheerders en institutionele beleggers bewegen richting een 50/30/20 verdeling.
Langjarige data van universiteitsendowments laten zien dat portefeuilles met een substantiële allocatie naar alternatieven de 60/40 benchmark over periodes van 5, 10 en 25 jaar hebben overtroffen.
Een allocatie van 20% naar alternatieven volgt dezelfde logica als institutionele beleggers, maar is afgestemd op de liquiditeitsbehoeften van particulieren.
Wat is het 60/40 model?
De portefeuille opgebouwd uit 60% aandelen en 40% obligaties is een van de meest stabiele concepten in de moderne beleggingsgeschiedenis. Decennialang gold dit model als de standaard, beproefd, begrijpelijk en voor miljoenen beleggers de basis van hun vermogensopbouw.
De logica was helder: aandelen leveren groei, obligaties bieden stabiliteit. In tijden van beursonrust daalden aandelen, maar stegen obligaties. Die negatieve correlatie, het fenomeen dat twee beleggingen tegengesteld bewegen, was de ruggengraat van het model. Door die tegenbewegingen bleef de totale portefeuille stabieler dan elk onderdeel afzonderlijk.
Zie ook: Rendement, risico en correlatie: de bouwstenen van een goede fondsvergelijking
Waarom het 60/40 model onder druk staat
Die correlatie is de afgelopen jaren structureel verzwakt. In 2022 daalden zowel aandelen als obligaties tegelijkertijd scherp, als gevolg van stijgende rentes en aanhoudende inflatie. Beleggers die vertrouwden op de beschermende werking van obligaties, werden hard geraakt. GeoWealth, een platform voor vermogensbeheerders, beschrijft hoe aanhoudende inflatie, hoge rentes en toegenomen marktvolatiliteit de historische beschermende werking van obligaties hebben aangetast.
Dat was geen toevallige uitzondering. Het laat zien dat spreidingsrelaties niet permanent zijn. Ze hangen af van het economische klimaat waarin ze bestaan.
Het CFA Institute, de wereldwijde beroepsorganisatie voor beleggingsprofessionals, stelt expliciet dat alternatieve beleggingen beleggers "greater diversification and higher expected returns than traditional investments" kunnen bieden. Meer hierover in The 60/40 Portfolio Needs an Alts Infusion. Het instituut publiceerde daarnaast een uitgebreider onderzoeksrapport: The Future of the 60/40 Allocation.
Zie ook: Waarom diversificatie in onrustige tijden loont
Larry Fink: het nieuwe model is 50/30/20
In april 2025 schreef Larry Fink, CEO van BlackRock, 's werelds grootste vermogensbeheerder met meer dan 11,5 biljoen dollar onder beheer, in zijn jaarlijkse aandeelhoudersbrief dat het klassieke 60/40 model mogelijk niet langer echte diversificatie biedt. Zijn conclusie: de toekomstige standaardportefeuille ziet er waarschijnlijk uit als 50/30/20, met aandelen, obligaties en private assets zoals vastgoed, infrastructuur en private credit.
Fink wees daarbij op drie concrete voordelen van infrastructuur als alternatieve belegging:
- Inflatieprotectie: inkomsten uit infrastructuur zoals tolgelden en nutsbedrijven stijgen mee met inflatie.
- Stabiliteit: infrastructuurrendementen zijn aanzienlijk minder volatiel dan publieke markten.
- Rendement: zelfs een allocatie van 10% naar infrastructuur heeft historisch gezien het totaalrendement van een portefeuille verhoogd.
Hij stelde daarbij dat pensioenfondsen al decennialang beter presteren dan particuliere beleggingsrekeningen, gemiddeld 0,5% per jaar, precies omdat zij alternatieve beleggingen toepassen. Fink erkende ook de praktische uitdaging: de financiële industrie is structureel ingericht op een 60/40 wereld, niet op een 50/30/20 wereld.
BNY Mellon: markten zijn complexer geworden
Jose Minaya, Global Head of Investments & Wealth bij Bank of New York Mellon, bepleit eveneens een 50/30/20 verdeling. Zijn redenering: markten zijn tegenwoordig complexer en geavanceerder dan voorheen. Wie toegang heeft tot meer verschillende typen assets, behaalt betere uitkomsten. Minaya noemt hedge funds, vastgoed en grondstoffen als logische componenten van het alternatives-gedeelte, beleggingscategorieën die door hun lagere correlatie met publieke markten een eigenstandige bijdrage leveren aan het risico-rendementsprofiel van een portefeuille.
Zie ook: Beleggen zonder afhankelijk te zijn van de richting van de beurs
Het Yale Model: de blauwdruk voor institutionele beleggers
De gedachte dat alternatieven structureel thuishoren in een beleggingsportefeuille is niet nieuw. David Swensen, de legendarische Chief Investment Officer van Yale University, legde de basis al in de jaren tachtig. Swensen transformeerde het Yale-endowment, het belegde vermogen van de universiteit bedoeld om op lange termijn inkomsten te genereren, door af te stappen van de traditionele 60/40 aanpak en zwaar in te zetten op illiquide alternatieve beleggingen: private equity, vastgoed, hedge funds en venture capital.
Zijn redenering: illiquiditeit is geen risico, maar een premie. Wie bereid is zijn geld langer vast te zetten, verdient structureel meer. Dit wordt ook wel de illiquiditeitspremie genoemd.
Het resultaat was indrukwekkend. Onder zijn beheer groeide het Yale-endowment van 1,3 miljard dollar in 1985 naar meer dan 40 miljard dollar, met een gemiddeld jaarlijks rendement van 13,7%, 3,4 procentpunt boven het gemiddelde van vergelijkbare endowments. Het Yale Model werd de blauwdruk voor institutionele beleggers wereldwijd.
Zie ook: Beleggen buiten de beurs: private markten uitgelegd
Wat de data laten zien over rendement
De meest concrete en langjarige onderbouwing komt uit het NACUBO-Commonfund onderzoek, het jaarlijkse onderzoek onder honderden Amerikaanse universiteitsendowments. De conclusie van het meest recente rapport is helder: endowments met substantiële allocaties naar alternatieven hebben de 60/40 benchmark over periodes van 5, 10 en 25 jaar overtroffen. De toevoeging van alternatieve strategieën hielp daarbij om volatiliteit te dempen en positieve rendementen te realiseren.
Dat is niet zomaar een claim. Het gaat om langjarige, gedocumenteerde data van honderden instellingen die structureel meer in alternatieven beleggen dan de gemiddelde particuliere belegger.
Wel is een belangrijke kanttekening op zijn plaats. Hetzelfde onderzoek laat zien dat manager selectie een cruciale factor is. Grotere endowments met toegang tot de beste private equity managers presteren structureel beter dan kleinere. Het zijn niet de alternatieven op zichzelf die het verschil maken, maar de combinatie van strategie, selectie en langetermijnhorizon.
Onderzoek van het Thinking Ahead Institute onder de 100 grootste asset owners ter wereld bevestigt dat alternatieven inmiddels 28,4% van hun totale vermogen vertegenwoordigen. Sovereign wealth funds gaan nog verder: hun gemiddelde allocatie naar private market assets steeg van 3% in 2009 naar 33% in 2024. Institutionele beleggers houden gemiddeld 25% in alternatieven, vijf keer meer dan financieel adviseurs voor hun particuliere klanten doen.
De conclusie die uit deze data naar voren komt: institutionele beleggers alloceren gemiddeld 25 tot 33% naar alternatieven, met uitschieters richting 60% bij de grootste instellingen. De 20% die het 50/30/20 model voorschrijft voor particuliere beleggers, ligt daar structureel onder, maar volgt exact dezelfde logica.
Waarom 20% het uitgangspunt is voor particuliere beleggers
Voor institutionele beleggers is een substantiële allocatie naar alternatieven al decennialang praktijk. Voor particuliere beleggers is dat door liquiditeitsoverwegingen minder eenvoudig. Alternatieve fondsen hebben vaak langere looptijden, beperkte verhandelbaarheid of lock-up periodes waarin uitstappen tijdelijk niet mogelijk is.
Zie ook: Lock-up, notice period en liquiditeit: wat uitstapvoorwaarden in de praktijk betekenen
Een allocatie van 20% biedt een realistisch startpunt dat dezelfde logica volgt als institutionele beleggers, maar rekening houdt met de liquiditeitsbehoeften van particulieren. Het CFA Institute stelt expliciet dat alternatieve beleggingen beleggers "greater diversification and higher expected returns than traditional investments" kunnen bieden, maar wijst daarbij ook op de hogere complexiteit en het belang van kennis en selectie.
Zie ook: Wat kosten doen met je rendement
Wat valt onder die 20% alternatieven?
De 20% alternatieve beleggingen in het 50/30/20 model kan verschillende vormen aannemen, afhankelijk van de doelstellingen, horizon en liquiditeitsbehoeften van de belegger. Op FundReport worden alternatieve fondsen onderverdeeld in drie hoofdcategorieën:
Alternatieve strategieën zoals marktneutrale fondsen, long/short fondsen en macrofondsen. Deze zoeken rendement buiten de richting van de beurs. Zie ook: MarktneutraleSvederstrategieën uitgelegd
Private markten zoals private equity, venture capital en private debt. Deze beleggen buiten de beurs in niet-beursgenoteerde bedrijven of kredietverlening, met als kenmerk een langere looptijd en stabielere kasstromen. Zie ook: Beleggen buiten de beurs: private markten
Fysieke activa zoals vastgoed, infrastructuur en fysiek goud. Deze bieden bescherming tegen inflatie en bewegen minder mee met beurssentiment.
Zie ook: Verder dan aandelen en obligaties: fondsen met échte diversificatie
Waarom de trend breder is dan één stem
Wat opvalt aan deze ontwikkeling is de breedte ervan. Het zijn niet alleen aanbieders van alternatieve producten die pleiten voor 50/30/20. Het zijn CEO's van de grootste vermogensbeheerders ter wereld, onafhankelijke onderzoeksbureaus, academische instellingen en de feitelijke allocatiebeslissingen van honderden professionele beleggers die dit beeld bevestigen.
De democratisering van private markets, mede mogelijk gemaakt door nieuwe beleggingsvehikels en technologie, maakt het bovendien steeds toegankelijker voor een bredere groep beleggers.
De verschuiving van 60/40 naar 50/30/20 is daarmee geen plotselinge breuk met het verleden. Het is de logische volgende stap in een ontwikkeling die institutionele beleggers al decennialang hebben ingezet, en die nu ook voor particulieren steeds relevanter wordt om te heroverwegen.
Conclusie
Het 60/40 model heeft decennialang als standaard gediend, maar de marktomstandigheden van de afgelopen jaren hebben de grenzen ervan zichtbaar gemaakt. Langjarige data van universiteitsendowments en grote institutionele beleggers laten zien dat een substantiële allocatie naar alternatieven structureel bijdraagt aan zowel rendement als spreiding. Het 50/30/20 model vertaalt die ervaring naar een praktisch uitgangspunt: 20% alternatieven is genoeg om een meetbaar verschil te maken, zonder dat een belegger zijn volledige vermogen illiquide hoeft vast te zetten.